Koninklijk Besluit (KB)

Koninklijk Besluit (KB)

Noodverlichting KennisbankKoninklijk Besluit

Het Koninklijk Besluit (KB)

Een koninklijk besluit (KB) is een besluit van de regering. In België neemt volgens artikel 108 van de Belgische Grondwet de koning de besluiten die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn, zonder ooit de wetten zelf te mogen schorsen of vrijstelling van hun uitvoering te mogen verlenen. Tevens moet volgens artikel 106 van de grondwet elke akte van de koning (zoals een koninklijk besluit) door de bevoegde (federale) minister(s) mede ondertekend worden. Met een koninklijk besluit zal de federale regering de wetgeving dus voorzien van de nodige uitvoeringsmaatregelen. De verantwoordelijke federale minister zorgt voor de verdere uitvoering in detailmaatregelen via een ministerieel besluit, zo ook voor noodverlichting.

Toepassing van het KB op noodverlichting

Het KB van 10 oktober 2012 tot vaststelling van de algemene basiseisen waaraan arbeidsplaatsen moeten beantwoorden schrijft voor dat de werkgever op grond van de resultaten van een risicoanalyse vastlegt aan welke voorwaarden de verlichting van de arbeidsplaatsen, al dan niet in open lucht, en van de werkposten moet voldoen om ongevallen door de aanwezigheid van voorwerpen of hindernissen en om vermoeidheid van de ogen te voorkomen. Onderdeel van het KB is de Bouwwetgeving, de vaststelling van de basisnormen voor preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. KB schrijft noodverlichting voor, zowel in gebouwen onderhevig aan verbouwing als bij volledige nieuwbouw, waarvan de aanvraag is ingediend vanaf 01 januari 1998 voor lage gebouwen (LG), vanaf 26 mei 1995 bij hoge en middelhoge gebouwen (HG en MG) en vanaf 15 augustus 2009 voor industriegebouwen.

Het KB maakt onderscheid tussen veiligheidsverlichting en vervangingsverlichting.

"5.4 Vervangingsverlichting : kunstmatige verlichting die, bij het uitvallen van de gewone kunstmatige verlichting, toelaat bepaalde activiteiten op sommige plaatsen van het gebouw voort te zetten.
5.5 Veiligheidsverlichting (noodevacuatieverlichting) : verlichting die, bij het uitvallen van de gewone kunstmatige verlichting, de herkenning en het gebruik in alle veiligheid van vluchtmogelijkheden steeds waarborgt wanneer de locatie in gebruik is en die, om paniek te voorkomen, verlichting levert om personen toe te laten evacuatiewegen te herkennen en te bereiken.”
(Quote KB 7 juli 1994)

Voor de technische en functionele eisen verwijst het KB in de nieuwste vorm naar volgende normen: NBN EN 1838 (Toegepaste verlichtingstechniek – Noodverlichting), NBN EN 60598-2-22 (Verlichtingsarmaturen - Deel 2-22 : Bijzondere eisen - Verlichtingsarmaturen voor noodverlichting) en NBN EN 50172 (noodverlichtingssystemen voor vluchtwegen). In de praktijk ziet de brandweer toe op het naleven van dit KB.

De werkgever die bij het bepalen van de voorwaarden inzake verlichting de vereisten van de normen NBN-EN 124 64-1 en NBN EN 124 64-2 toepast, wordt vermoed te hebben gehandeld in overeenstemming met de vereisten van het bovengenoemde KB van 10 oktober 2012.

Als de werkgever die normen niet wenst toe te passen, moet de verlichting tenminste beantwoorden aan de onderstaande verlichtingsvoorwaarden.

Arbeidsplaatsen waar werknemers bij het uitvallen van de kunstverlichting aan een verhoogd risico zijn blootgesteld, zijn uitgerust met een verlichting die bijdraagt tot de veiligheid van de personen die bezig zijn met een mogelijk gevaarlijke activiteit of zich in een mogelijk gevaarlijke situatie bevinden en die het hen mogelijk maakt een gepaste afsluitprocedure uit te voeren voor de veiligheid van de bediener en andere aanwezigen in het gebouw. De sterkte van die verlichting mag niet minder zijn dan 10% van de normaal vereiste verlichtingssterkte voor de betreffende taak.

Op de werkposten is de gemiddelde verlichtingssterkte van het werkvlak voldoende voor de uit te voeren taken. Die gemiddelde verlichtingssterkte wordt gemeten op het werkvlak of, bij afwezigheid van een werkvlak, op een horizontale hoogte van 0,85 meter van de grond. Ze bedraagt ten minste:

  • 200 lux voor refter, kleedkamer, wasplaats, landbouwactiviteiten, brouwerij, ruw assembleerwerk;
  • 300 lux voor bakkerij, machinewerk, middelmatig precies assembleerwerk, fruit sorteren, wasserij, lassen, garage, receptie, kopieerwerk, kinderopvang, klaslokaal, auditorium, sporthal;
  • 500 lux voor EHBO-lokaal, laboratoria, controleruimten, precisie machinewerk, fijn assembleerwerk, autoassemblage, keuken, slachthuis, productcontrole, kapsalon, schoenmakerij, boekbinderij, drukkerij, spinnerij, weverij, houtbewerking, kantoorwerk, vergaderzaal;
  • 750 lux voor glasbewerking, materiaalinspectie, precisie-assemblage, naaiwerk, verfspuiten, technisch tekenen;
  • 1000 lux voor precisiewerk, kleurinspectie, juweelproductie, medisch onderzoekslokaal.

Op plaatsen die enkel dienen voor verplaatsingen is de verlichtingssterkte gemeten op de vloer ten minste:

  • 5 lux voor kolenopslag, houtopslag, stapelplaatsen met occasioneel verkeer, buiten gelegen doorgangen voor voetgangers, parking;
  • 10 lux voor algemene verlichting van havens, risicovrije zones in de petrochemie en gelijkaardige industrieën, opslag van verzaagd hout, wegen voor traag verkeer (minder dan 10 km per uur) van bijvoorbeeld fietsen of heftrucks;
  • 20 lux voor auto- en containeropslagplaatsen in havens, normaal autoverkeer, in- en uitritten van parkings;
  • 50 lux voor industrieterreinen, opslagzones buiten, risicogebieden in havens, olieopslagtanks, koeltorens, pompgemalen, waterzuiveringsinstallaties, plaatsen voor laden en lossen, materiaalbehandeling in havens, bouwwerf, opslaghal zonder manueel werk;
  • 100 lux voor verplaatsingszones in het bedrijf, gangen, trappen, liften, magazijnen.

Even geduld...